(Levens)Verhalen

» Allemaal zien     «Vorige 1 2 3 4 5 6 Volgende»     » Dia Voorstelling

Franciscus Grijzenhout (1929), herinneringen aan zijn broers



De herinneringen van Frans Grijzenhout aan zijn broers

 

Daan mocht als oudste zoon doorleren en ging na de lagere school naar de Mulo.

Daarna ging hij werken op een advocatenkantoor van Mr Baron van der Feltz. Daar was hij tegen een zeer laag salaris meer boodschappenjongen dan dat hij wat leerde.

Zijn vader zei toen tegen zijn moeder: “wat hij daar verdient kan hij bij mij ook verdienen, ga met hem naar kledingwinkel Kieper en laat hem een werkbroek aanmeten.” En zo werd Daan metselaar.

 

Toen Daan in de Hasebroekstraat in 1936 één en twintig werd, kreeg hij ’s morgens in bed een ontbijtkoek om zijn arm gebonden, toen zijn broers en zussen hem kwamen feliciteren kregen zij daar een stuk van.

 

In de oorlog was hij (Daan) ook ondergedoken, net als zijn broer Rinus.

Dat ging zo: Zijn vader had d.m.v. Daan zijn schoonvader een spoorweg beambte omgekocht. Deze liet de broers nadat zij in mei 1943 in de trein naar Duitsland hadden plaatsgenomen aan de achterzijde via de spoorrails weer ontsnappen.

Na enige tijd ondergedoken te hebben gezeten in de Rozenstraat kwamen ze weer zogenaamd vanuit Duitsland afgekeurd thuis.

 

Toen Daan op een dag in werkkleding met een vriend stond te praten kwamen er 2 SS’ers op hem af voor de papieren. Daan schrok zich lam, want hij had niets, maar stak toch de hand in zijn binnenzak. “Laat maar zitten”, zei een van de SS’ers en Daan kon opgelucht zijn weg vervolgen. Zijn vriend, Henk Smedicus, had gelukkig goede papieren en kon ook weg. 

 

Toen Nico als ondergedoken krijgsgevangene in de hongerwinter in de Wieringermeer weer eens met Jan op voedsel uitging, kon hij van een boer wel aardappelen kopen, maar dan moest hij zijn trui die hij aanhad ook inleveren. Dat ging natuurlijk niet, want dan wij hij zelf van de kou omgekomen.

Er was in die tijd een gezegde: “O Heer, o Heer, geef ons de Joden weer, maar verzuip alle boeren uit de Wieringermeer.”

 

Nico kwam eens thuis met hele kleine aardappeltjes. “Goh,” zei zijn moeder, “wat zijn die klein.”

Hij begon te huilen.

Wat bleek: Hij had moeten vluchten en was achterna gezeten door Duitsers die hem niet te pakken hadden gekregen, maar wel op hem hadden geschoten.

 

Rinus ging werken bij de Cinema "Royal" (een bioscoop die in de oorlog theater werd om geen Duitse films te hoeven draaien) in de Dirk van Hasseltsteeg waar ik (Frans) hem woensdagsmiddag opzocht en dan stiekem vanaf de vliering door een lichtkap naar de to­neelvoorstellingen kon kijken. Naderhand nog werken bij een bakker voor een brood in de week.

Omdat het niet langer moge­lijk was om als jongeman over straat te lopen moest ook Rinus onderduiken. Via vader zijn loodgieter Wilhelm, kwamen wij terecht bij diens broer die op de Lijnbaansgracht een onder­stuk had, waar zij van hout, paardenhaar en ijzerdraad; tanden­borstels, schoenborstels en nagelborstels maakten. Moeder haalde zogenaamd als bijverdienste de ingrediënten en Rinus zat heel alleen op zolder de borstels te maken. Hij mocht niet meer op straat en zag alleen vanuit het zolderraam de blauwe lucht; 's Avonds als de ramen verduisterd waren kwam hij beneden en zou verborgen kunnen worden in de kast in de kamer.

Een keer kwam er een agent voor ene Elsje Lampiere. Heel het huis in paniek, Rinus niet wakker te krijgen. Deur open en een agent keek met een zaklantaren in de eerste alkoof, Annie leek niet op genoemde Elsje dus ging de agent weer weg. Wat een opluch­ting.

 

Vader had diverse huizen waar moeder ’s zaterdags de huur op moesten halen en ik (Frans) mocht dan mee.

De route was ongeveer: Vinkestraat, Goudsbloemstraat 107, Boomstraat, Anjelierstraat 40, Egelantierstraat, Nieuwe Leliestraat, Rozenstraat en als laatste een huisje in de Passeerderstraat 59 naast vader zijn werkplaats.

In het benedenhuis woonde een Duitse vrouw waar ik uit de Courant “Nieuws van de Dag” (die ‘s morgens een editie had met Tom Poes en ‘s avonds een krant met Tijs Wijs de Torenwachter) de strips van de hele week mocht uitknippen. Helaas zijn deze uitgeknipte strips na de oorlog verloren geraakt. Mijn moeder zat dan ondertussen uit te rusten en met de Duitse vrouw te praten. 

 

De zaterdag verliep ongeveer als volgt: tot 12 uur school, daarna op de gang alle schoenen poetsen: ik insmeren en Jan uitpoetsen of andersom.

Ondertussen 3 versjes leren: 1 voor Zondagmorgen in de Kinderkerk, 1 voor Zondagmiddag op de Zondagschool, 1 voor de maandagmorgen op school.

Mijn vader die om 1 á 2 uur thuiskwam (meestal met ome Ko zijn compagnon) overhoorde ons en zolang je niet je versje kon, bleef je schoenen poetsen. Daarna eten en met moeder boodschappen doen en huur ophalen of met Rinus mee. Zaterdagsmiddags ging Rinus voetballen op het Jan van Galen­land. Zijn 2 jongste broertjes (Frans en Jan) waarop hij dan moest passen gingen soms mee als doelpaal; wat een ballen hebben wij toen tegen onze kop gehad.

’s Avonds in de keuken in de tobbe. Mijn sport was op de groene zeep zo op te kloppen, dat ik sopzeep te koop had.

 

Frans had veel meer verhalen. Deze over zijn jeugd vonden we op een stukje printpapier.


Verbonden metGrijzenhout, Antonie Daniel; Grijzenhout, Franciscus; Grijzenhout, Marinus Albertus; Grijzenhout, Nicolaas

» Allemaal zien     «Vorige 1 2 3 4 5 6 Volgende»     » Dia Voorstelling